"Je kan het je haast niet inbeelden, dat huizen die je halsoverkop hebt achtergelaten er nog staan bij je thuiskomst"

28 juni 2020
© Radio 1
In 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig' vertelde auteur Lize Spit eerder over haar lief, haar straat en het applaus. Nu schrijft ze over de eerste keer dat ze met haar lief weer reisde, naar zijn appartement in Amsterdam.

Een schip met zure appelen

Op donderdagavond 12 maart kwam Rob halsoverkop uit zijn woonplaats in de diamantbuurt van Amsterdam naar mijn appartement in het Brusselse Kuregem, zodat we de lockdown samen zouden kunnen uitzitten. Om tien uur stapte hij de intercitytrein af, met een lichtgrijze rolkoffer. Hij had vijf onderbroeken mee, een paar kledingstukken en genoeg boeken voor een week of twee.

Voor de lockdown ‘s anderendaags om middernacht zou ingaan, haalde ik een voorraad insuline zodat ik enkele maanden zou overleven mochten er tekorten gaan ontstaan. Rob haalde nog snel wat extra onderbroeken, én het verzameld werk van Epictetus, getiteld ‘vrij en onkwetsbaar”. In mijn voorraadkast doopten we één plank tot conservenplank.

We maakten ons op, we maakten ons klaar voor iets waarvan we niet wisten hoe groot het was, en de angstige, haast gretige verwachting die ermee gepaard ging, deed me denken aan hoe ik als kind al mijn speelgoed uit de tuin ruimde terwijl er in de verte een gitzwart, rommelend onweer naderde - ‘een schip met zure appelen!’, riep mijn vader dan. Alles wat los zat moest opgeborgen worden, ook de honden en de katten mochten bij uitzondering naar binnen.

De eerste weken van de lockdown was iedereen verenigd, allemaal samen bestreden we hetzelfde schip. Na een tijdje matte de angstige verwachting af, en begonnen mensen uit verveling toch weer elkaar te bestrijden.

Ik trok me terug in het universum van mijn tweede roman, een universum dat tragisch is, maar waarvan ik alle elementen tenminste zelf controleerde.

Rob en ik brachten nooit eerder zo lang samen door onder één dak. Al snel ontwikkelden we een ochtendritueel en een avondritueel, waar we elke werkdag keurig aan konden ophangen, zoals een jas op een kleerhanger. Beginnen aan de keuken/bureautafel met een koffie om 9u, eindigen aan de keuken/bureautafel met rummikub rond 19u. Ik bezat enkel de reisversie van het spel, met veel te kleine blokjes voor het grote, lege tafelblad. Ergens halverwege elk spel applaudisseerden we voor het zorgpersoneel, nadien waren we vergeten wiens speelbeurt het was.

Elke week dacht een van ons dat de hoofdpijn of keelpijn die we voelden corona was, maar dan zei de ander ‘nee, vast niet’. Er kwamen ambulanciers met luchtdichte pakken ons flatgebouw binnen, voor een interventie bij de onderbuurvrouw, die had het vast wél.

We openden alle buitendeuren met een mouw of een zakdoekje. De keukenkastjes rond de wasbak waren bedekt met blauwe, opgedroogde spetters handzeep. De kat kreeg door dat we niet zomaar meer konden weggaan, en begon eisen te stellen, midden in de nacht wilde ze haarrekkertjes toegeworpen krijgen.

Met een online bestelling maakte ik Robs kinderdroom waar, er werd een lavalamp geleverd, naar een model van de jaren zestig. Bij gebrek aan een televisiescherm, zaten we daar elke avond een tijdje naar te kijken, tot het moment waarop de gekleurde was onderin warm genoeg was en er een eerste bel ontsnapte, een grillige uitwas.

De dagen leken op elkaar, maar de lava koos elke avond een andere manier om aan de bodem te ontsnappen.

Weken passeerden er, en maanden. In de hemelsblauwe lucht boven Brussel was er af en toe één witte streep te zien.

Robs huis leek steeds verder weg.

Hij probeerde er zo min mogelijk aan te denken, wat hij er bij thuiskomst zou aantreffen.

Je kan het je haast niet inbeelden, dat huizen die je halsoverkop hebt achtergelaten, het redden, dat ze er nog staan bij je thuiskomst, dat er zich niet iets vreselijks in heeft afgespeeld, dat alles wat je ooit over het hoofd hebt gezien daar plots samentroept.

Deze zondag, ruim drie maanden na de 12e maart, werd internationaal treinreizen eindelijk weer mogelijk, en besloten we samen onze eerste niet-essentiele trip te ondernemen naar Robs appartement.

De dagen voor onze afreis waren we beiden wat nerveus. We telden af: nog zoveel nachten in dit bed, nog twee keer koffie, nog één keer de lavalamp.

Ik was nerveus mijn eigen huis achter te laten, ook al planden we maar een week weg te zijn, we lieten onze veilige verstopplaats achter, een tijdperkje. Ik ontkalkte alle machines, goot ontstopper in alle afvoerputjes, schrobde de toiletpot, verpotte enkele plantjes, maakte de koelkast helemaal schoon -ik poetste zo grondig dat het leek alsof ik sporen wilde wissen, alsof ik met kracht vooruit ook het huis schoonmaakte dat we zouden aantreffen.

We pakten Robs vijf onderbroeken en genoeg boeken voor een week in, zochten eindeloos naar zijn zwarte sporttas, tot we beseften dat hij met een grijze valies hierheen was afgereisd. We pakten de reisversie van rummikub in en namen de Intercity van Brussel-Zuid naar Amsterdam Centraal.

We liepen z’n straat in, de diamantbuurt in Amsterdam-Zuid, en ik kon niet stoppen met heel nadrukkelijk naar alles te kijken, alle details in me op te nemen, waardoor ik op de duur van niets meer zeker wist of het er nu voor corona ook al was. Rob was de naam van zijn buurvrouw vergeten.

Zijn huis bleek nog gewoon recht te staan. In de koelkast zat er niets dat pootjes had gekregen, enkel een pakje boter dat verkleurd was tot het oranje van een zonsondergang. Er was een koffievlek op het bijzettafeltje waarvan Rob zweerde dat hij die zelf nooit gemaakt had. De kamer rook muf, op het balkon lagen hoopjes duivenpoep maar nergens vonden we een nestje.

Beluister de column van Lize Spit voor 'De toestand is hopeloos maar niet ernstig':

Lees haar column aan het begin van de lockdown:

Lees ook:

Radio 1 Select