"Terugkeren naar de stad? Daarvoor gaan de steden eerst een pak stiller moeten worden"

31 mei 2020
Een paar jaar geleden liet Wannes Capelle de grote stad achter voor een gemeente in West-Vlaanderen. "Nu ik van de stilte heb mogen proeven, wil ik haar niet meer kwijt"

Drie jaar geleden ruilden we ons appartement in Antwerpen voor een huis in een middelgrote gemeente in West-Vlaanderen. Sommige stadsgenoten verklaarden ons gek, maar voor onze tachtigjarige onderbuurvrouw met hartklachten en een borstelstok die tot haar plafond reikte, kwam onze verhuis geen dag te vroeg.

Binnen een jaar spreken ze West-Vlaams en zijn ze Antwerpen vergeten

Het was met een bang hartje dat we richting ons nieuwe huis reden. Zouden we de stad niet vreselijk missen? De theaters, de musea, de Opera! Als we eerlijk waren hadden we sinds we kinderen hadden nauwelijks nog een theater, museum of opera aan de binnenkant gezien, maar toch, de mogelijkheid alleen al… Ook met het lot van de kinderen, toen zes en acht, zaten we in: waren ze niet al te oud om te verplanten? ‘Binnen een jaar spreken ze West-Vlaams en zijn ze Antwerpen vergeten’, verzekerde onze omgeving ons. Alsof mensen zoiets kunnen weten. Mensen zeggen zoiets omdat ze weten dat het huis al gekocht is en omdat het pijnlijk zou zijn om je erop te wijzen dat je dat beter niet had gedaan. Maar we geloofden het graag. En trouwens, eens de kinderen groot waren, konden we altijd terugkeren naar de stad.

En hier wonen we dan. In het centrum van de gemeente, in een drukke straat. Onze Antwerpse vrienden hadden zich iets anders voorgesteld toen ze hoorden dat we ‘op den buiten’ gingen wonen. Maar onze kinderen kunnen overal te voet of met de fiets naartoe. Net als in de stad. En de rust van het platteland vinden we al na enkele minuten fietsen. Het was een weloverwogen keuze. De eerste weken na onze verhuis viel het me op hoe stil het hier was in vergelijking met de stad. Maar na een tijd stoorde ik me aan het lawaai waar ook hier geen ontkomen aan is: het onophoudelijk gebrom van lijnvliegtuigen. De gierende banden van hersenloze chauffeurs. De daverende vrachtwagens, brommers, drilboren, slijpschijven, bladblazers en grasmaaiers…

Plotseling stond ons huis écht op het platteland

En toen kwam De Toestand. Alles viel stil. De vliegtuigen zwegen. Zweegvliegtuigen. Zo dacht ik vroeger dat zweefvliegtuigen heetten. Want zweven, dat deden alle vliegtuigen, maar enkel de zweegvliegtuigen zwegen. Auto’s bleven op stal. We hoorden de wind waaien en de vogels fluiten. Plotseling stond ons huis écht op het platteland. En bij het sporadische geluid van een grasmaaier dachten we: tja, een mens moet toch iéts doen?

We kusten onze (gedesinfecteerde) handen dat we alle vier thuis konden zitten zonder mekaar voortdurend te horen ademen, en dat we een tuin hadden om in te werken en te spelen. We dachten aan de mensen die nu, net als wij enkele jaren geleden, op een bescheiden appartementje zaten, locked down, vijf hoog. We dachten aan wat bouwmeester Leo Van Broeck zei: een appartementsgebouw moet alle voordelen van een huis hebben. Daar moet ook een kot zijn om uw fiets te repareren, een zaaltje om de familie te ontvangen en een tuin om groenten te kweken. Anders kun je mensen nooit overtuigen om dichter bij elkaar te wonen. Zeker niet in pandemietijden.

Maar terugkeren naar de stad? Dat weet ik nu toch niet meer. Daarvoor gaan de steden eerst een pak stiller moeten worden. Of toch minder lawaaierig. In het West-Vlaams hebben we nog een ander woord voor lawaai: leven. Tegen kinderen kun je zeggen: hou eens niet zoveel leven! Wel: leven mag er zijn. Geluid dat ontstaat doordat mensen leven. Maar het geluid van onnodig brullende motoren is geen leven, dat is lawaai.

Nu ik van de stilte heb mogen proeven, wil ik haar niet meer kwijt

Nu ik van de stilte heb mogen proeven, wil ik haar niet meer kwijt. Meer zelfs, ik verbaas me erover dat we ze niet terugeisen. Stilte zou een mensenrecht moeten zijn. In plaats van stiltegebieden, moeten we lawaaigebieden maken, waar lawaaimakers in alle onrust lawaai mogen maken. Dàt heb ik beseft tijdens die hele toestand.

En onze kinderen? Die hebben het verplanten overleefd. Ze krijgen nieuwe worteltjes hier. Maar onze zonen zijn zonnebloemen, en hun zon, die schijnt over ’t water, in Antwerpen. De jongste vindt al die rust hier maar niks. Hun beste vrienden van toen zijn hun beste vrienden gebleven, en ze willen voor hun kop geen West-Vlaams spreken. ‘Ei, ’t es hoed, ééé, hodverdomme, joat, zèh!’, zeggen ze dan tegen elkaar om te lachen met het dialect van hun vader. En zo nemen ze zonder het goed en wel te beseffen, het accent beetje bij beetje over.

Beluister de column:

Lees en beluister meer:

Radio 1 Select