"Ze moeten 1,5 meter afstand houden van het lichaam van hun mama en wanneer ze wenen mogen ze hun tranen niet wegvegen"

31 mei 2020
Michaël Van Droogenbroeck is sinds jaar en dag een van de stemmen van 'De Ochtend' op Radio 1. Maar hij heeft ook een diploma 'begrafenisondernemer' op zijn zolder liggen. Na het zien van de 'coronaspecial' van de één-reeks 'Komen te gaan' twijfelt hij of hij toch niet opnieuw die richting moet uitgaan met zijn leven.

Over corona hebben nu wel stilaan genoeg gebracht, vind ik al enkele weken.

Hoe dat virus een gezondheidscrisis werd, uiteraard. Wat de economische impact is en zal zijn. De psychologische impact. Alles hebben we gezien en gehoord. Of dat dachten we toch.

Eén ding hebben we, voor wie het geluk had het niet zelf te moeten meemaken, deze week pas gezien. En dat is hoe verschrikkelijk pijnlijk het is om nu afscheid te moeten nemen van een dierbare. Dat is te zien in ‘komen te gaan’ een erg mooie reeks op één, waar verschillende begrafenisondernemers worden gevolgd. En speciaal voor corona, jawel, werden enkele nieuwe afleveringen opgenomen.

De reeks is mooi maar is tegelijk ook hartverscheurend. Zo was maandag te zien hoe de familie van Linda richtlijnen kreeg voor ze haar een laatste groet in het mortuarium van een Antwerps ziekenhuis kon brengen. Eerst moeten ze een veiligheidspak aantrekken, handschoenen en een bril. In de begroetingsruimte zelf moeten ze anderhalve meter afstand houden van het dode lichaam van hun mama, en wanneer ze wenen mogen ze hun tranen niet wegvegen. Het tafereel dat volgt is zo onwezenlijk dat zelfs de medewerkster van het mortuarium het zichtbaar moeilijk krijgt.

Die beelden -zoals ze in komen te gaan worden getoond – geven misschien pas écht aan hoé ongezien die impact van het coronavirus is. En hoe vele duizenden families tot vandaag amper de kans krijgen afscheid te nemen van hun geliefde.

Maar IK wil het ook even hebben over diegenen over wie ‘komen te gaan’ eigenlijk draait, en die toch discreet en onopvallend op de achtergrond blijven. Omdat het nu eenmaal hoort bij het beroep dat Gert, Marieke en Patrick uitoefenen. Want zij zijn de begrafenisondernemers die in de reeks worden gevolgd.

Ook voor begrafenisondernemers zijn dit ongeziene tijden. En dat weegt ook op hen, zo is in de reeks te zien. Wanneer Gert bijvoorbeeld op de kist van Linda moet aangeven dat zij aan covid is gestorven en vertelt hoe het zelfs overledenen een stempel geeft. Of wanneer Marieke alle moeite doet om toch een kleine afscheidsplechtigheid te kunnen regelen voor de buren van Elvira, een covid-slachtoffer van 96 die geen familie meer heeft.

Als ik Gert en Marieke bezig zie, dan moet ik spontaan terugdenken aan Lange Gust. Lange Gust was een vriend van wijlen mijn grootvader en verzorgde mee de begrafenissen in het dorp. Met zijn rijzige figuur viel hij ook op, en wanneer hij salueerde naar de doodskist, met de hand naar de kepie, kreeg zelfs de meest gewone begrafenis in ons dorp de allure van een staatsbegrafenis.

Gust was goed in zijn vak. In elk geval voor de zakelijke, de praktische kant. Empathie, dat was niet zijn sterkste kant. Toen mijn grootmoeder bijna instortte op de begrafenis van mijn grootvader, haastte Gust zich snel weg om de bloemen te gaan goedleggen.

En empathie, dat is net waar Gert, Marieke en Patrick uit ‘komen te gaan’ zo in uitblinken.

Lange Gust, die is intussen zelf al lang overleden. Maar toch heeft hij mij gefascineerd en geïnspireerd. Zoveel zelfs dat ik jaren terug zelf bij een begrafenisondernemer heb bijgeklust. En in die tijd heb ik ook een opleiding ervoor gevolgd, toen was dat nog nodig om zelf als begrafenisondernemer te kunnen starten. Want die ambitie had ik toen. De nieuwe Gust van ons dorp worden als het ware.

Maar dat is dus nooit gebeurd. Het zou nooit kunnen lukken, was toen de teneur. Want die uitvaartsector is nu eenmaal iets waar een nieuwkomer niet zomaar klanten kan gaan afsnoepen van zaken die al generaties bestaan. En de investeringen voor een rouwauto, een funerarium, een aula.. Dat is al helemaal onbegonnen werk.

En toch. Er beweegt vandaag iets in die vastgeroeste uitvaartsector in ons land. Want steeds meer jonge mensen doen dat wel: vanuit het niets een eigen zaak proberen uit te bouwen. Ook daar zijn enkele begrafenisondernemers uit Komen te gaan een voorbeeld van.

Misschien niet meteen met de grootste en nieuwste rouwauto of een aula groter dan een kerk. Maar wel met de overtuiging dat die uitvaartsector wat vernieuwing kan gebruiken, en vooral dus met veel empathie. Ik vind het indrukwekkend om ze aan het werk te zien, in komen te gaan, die jonge kerels. Zo indrukwekkend dat ik me afvraag of het niet stilaan tijd is eindelijk eens iets te doen met mijn diploma, dat daar al zolang ligt.

Beluister zijn column:

Lees en beluister meer:

Radio 1 Select